De ZEN KRING te Amersfoort
Het
oudste zencentrum van Nederland
Zen
is een rechtstreekse overdracht van inzicht, buiten alle geschriften om,
onafhankelijk van woorden en letters, direct wijzend naar het hart.
We kunnen
'lente' niet zien, toch manifesteert de lente zich in bloemen. Op eenzelfde
wijze kunnen we 'verlichting' niet zien; toch brengen we de verlichting in al
ons doen en laten tot uitdrukking. Wanneer we ophouden met oordelen, voorkeur
en afkeer laten varen en alle bekrompenheid en ik-gerichte activiteit achter
ons laten, maken twijfel en verwarring plaats voor vrijheid en tegenwoordigheid
van geest en wordt het mogelijk een staat van bewustzijn te bereiken die kensho of satori wordt
genoemd. Dit is de bevrijdende ervaring van verlichting, die in de zentraining ook wel wordt beschreven als het terugkeren
naar de 'oorspronkelijke geest' die tijdloos, vormloos en ondefinieerbaar is.
Verlichting is eigenlijk niets anders dan het realiseren en tot uitdrukking
brengen van ons diepste wezen, onze ware natuur.
Inzicht
kan alleen geboren worden wanneer we doordringen tot het wezenlijke van de
geest en onze situatie zien zoals die werkelijk is, zonder tussenkomst van het
redenerende en interpreterende denken. Dat vereist een openheid en alertheid
die vrijwel uitsluitend bereikt kunnen worden door middel van oefening. In de zentraining staat daartoe de praktijk van zenmeditatie of het ‘zitten in zen’ (zazen)
centraal, dat gezien kan worden als een poging om in de waarheid te leven.
Daarmee brengen we onze ware natuur tot uitdrukking, vrij van beperkende
illusies en de daarmee verbonden angst of onzekerheid. Met name intensieve zenretraites (sesshin)
bieden een uitstekende gelegenheid om de rol van geprogrammeerde,
'intellectuele waarnemer' te verwisselen met die van belever van een diepere
realiteit en te ontdekken hoe het leven zich van moment tot moment ontvouwt.
De Zen Kring
werd op 1 april 1968 in Amersfoort opgericht door Leo Boer en Veronica Laterveer. De kring is het oudste zencentrum
in Nederland dat gelegenheid biedt voor de beoefening van zenmeditatie.
De
meditatiebijeenkomsten, die in het begin volstrekt informeel waren en jarenlang
plaatsvonden in een huiskamer, werden bezocht door Nederlandse zenboeddhisten
van het eerste uur, waaronder Janwillem van de
Wetering en Erik Bruijn, die in de jaren zeventig hun eerste boeken over zen
publiceerden. Van de Wetering had een tijdlang deelgenomen aan de zentraining in een Rinzai-klooster
in Kyoto, de Daitoku-ji, en worstelde met een koan, terwijl Bruijn zazen
beoefende in de vorm van objectloze meditatie, zoals
binnen de Soto-school wordt onderwezen.
Hoewel de Zen
Kring al meer dan veertig jaar als zen-centrum fungeert en bijeenkomt als
groep, is de kring geen organisatie met leden of statuten, maar eerder een
programma van activiteiten, gericht op de studie en beoefening van zen. De
kerngroep bestaat uit een tiental personen, waarvan enkelen al meer dan een
kwart eeuw deelnemen aan de meditatiebijeenkomsten. De eerste jaren werden deze
gehouden onder leiding van Leo Boer (1922-1983). Omdat hij niets voelde voor
“een kritiekloze import van oosters cultuurgoed” beoefende hij zazen met een minimum aan ritueel: er stond een kaarsje, er
brandde wierook en er klonk een belletje.
In 1974 droeg
hij de leiding over aan Erik Bruijn, die bij de Japanse zenleraar
Zengo Miroku sesshin-ervaring had opgedaan, shikan-taza (‘louter
zitten’) beoefende en een jaar na het bereiken van dai-kensho
(satori) met instemming van zijn leraar begonnen was
met het onderwijzen van zenmeditatie in
Nederland.
Zengo Miroku was een controversieel leraar van de Soto-school van het zenboeddhisme die vanwege zijn
onorthodoxe methoden bekend stond als een rebelse monnik en ‘dwaze meester’.
Hij had zich afgekeerd van het formalisme in de Japanse zenkloosters,
dat volgens hem in strijd was met de oorspronkelijke leer van Boeddha, maar
door gemakzuchtige en conservatieve zenleraren in
stand werd gehouden. Zijn onorthodoxe benadering bood daarvoor een krachtig en inspirerend
alternatief dat, als ‘rechtstreekse overdracht van inzicht, buiten woorden en
geschriften om’, in onze tijd door andere meditatiemeesters zelden is
geëvenaard.
“In de
meditatiezaal waar hij de zenoefeningen leidt,
verandert deze Japanner in een onneembare rots. Na het betreden van de zaal
maakt hij enkele diepe buigingen, waarna hij zich op een groot kussen neerzet
en zijn benen kruist in de lotushouding. Hij schikt de plooien van zijn gewaad
en legt zijn handen in de schoot. Zijn linkerhand rust in de rechter en de
toppen van zijn duimen vinden elkaar in een subtiele aanraking. Over deze
handhouding, die innerlijke rust en evenwicht bevordert, zegt hij: ‘Bij de beoefening
van zazen begin je vanuit het besef dat je iets
kostbaars in je handen houdt, de hoogste waarheid van het heelal, die je
voorzichtig op je handpalmen draagt en verzegelt met je duimen.’ Als hij
eenmaal op het meditatiekussen zit, houdt hij zijn ogen neergeslagen en laat
hij zijn blik rusten op de vloer, zonder zich te hechten aan wat hij waarneemt.
En terwijl dichte wierookwolken moeizaam hun weg zoeken naar de zoldering,
voltrekt zich plotseling de verandering: even, heel even maar sluiten zijn oogleden
zich in een moment van intense concentratie en wordt hij van lichaam alleen
maar geest. Zijn ademhaling verloopt in volmaakte stilte.
Dan
opent hij langzaam zijn ogen en lijkt hij monumentaal uit de grond te
verrijzen, onwankelbaar als een berg. Hoewel zijn blik naar binnen is gekeerd,
lijkt er in deze subtiele staat van serene introspectie niets te zijn dat aan
zijn aandacht ontsnapt. Soms verandert deze ongenaakbare rots in buigzaam
bamboe en veert hij geruisloos overeind om zich met enkele passen naar een
leerling te begeven die een fysieke aanmoediging of een houdingscorrectie nodig
heeft.”
(naar een
boekfragment uit ‘Ontmoetingen met meesters en dwazen’)
Zijn onderricht,
gegeven in een vrije Soto-stijl, was messcherp en
direct en gaf uitdrukking aan het inzicht, dat er geen verschil bestaat tussen
het dagelijks leven en het nirvana. Voor degenen die
er klaar voor waren, maakte hij een onmiddellijke terugkeer mogelijk naar de
ervaring buiten alle woorden om.
Enkele jaren
daarvoor had hij, na het beëindigen van zijn formele zentraining
in Japan, gekozen voor een zwervend bestaan. Hij trok door Azië van het ene
land naar het andere, waar hij kennis maakte met de oefenmethoden van
verschillende boeddhistische meditatietradities. Begin jaren zeventig verbleef
hij een tijdlang in Engeland. Erik Bruijn zat destijds op school in Londen en
was negentien jaar oud toen hij hem voor het eerst ontmoette. De onvergetelijke
wijze waarop hun kennismaking plaatsvond, heeft hij jaren later beschreven in
een van zijn boeken.
|
|
|
De Japanse zenleraar Zengo Miroku |
In 1974
verhuisde de Zen Kring naar een eigen oefenruimte in Amsterdam, aan boord van
een omgebouwd vrachtschip dat veel onderhoud vergde. Zit- en loopmeditatie
werden er afgewisseld met arbeid die verricht werd als ‘meditatie in actie’.
Daarbij ging het voornamelijk om schoonmaken, schilderen en het afbikken van
roest. Bij deze dynamische vorm van meditatie zijn de ademhaling en de
lichaamsbeweging met elkaar in harmonie en worden de werkzaamheden met
volledige aandacht en betrokkenheid verricht, waardoor je vanzelf kunt
ontdekken dat vrijheid niet ligt in doen waar je van houdt, maar in houden van
wat je doet.
Aan de bodhisattva-gelofte, een gelofte waarin boeddhisten beloven
zich tot het uiterste te zullen inspannen voor het welzijn voor al dat leeft,
werd onder andere inhoud gegeven door het opvangen van mensen in psychische
nood. Vooral hun deelname aan de intensieve ‘zen-arbeid’ bleek therapeutisch
goed te werken.
Aan boord van
het schip werd een boeddhistische bibliotheek opgezet en het centrum verzorgde
naast diverse lezingen en publicaties ook cursussen, waaronder een cursus
zenboeddhisme aan de Volksuniversiteit Dordrecht.
In 1975
verscheen van Bruijn ‘De weg van zazen’, de
eerste handleiding voor zenmeditatie van Nederlandse
oorsprong. Kort daarna werd in congrescentrum Hydepark
te Driebergen door deelnemers aan de Zen Kring een eigen toneelstuk opgevoerd
over de lotgevallen van een Nederlandse leerling in een Japans zenklooster, met als titel: ‘De hippie en de zen-meester’.
In 1977
verhuisde de kring naar een appartement aan het Vondelpark, waar wekelijkse
groepsmeditaties met tien tot dertig deelnemers werden gehouden en ook
dagelijks kon worden gemediteerd. In 1980 werd er door de theemeester
Sakayori Toshiko een
traditionele thee-ceremonie uitgevoerd en trad de
kring, in het buitenland bekend als Zen Kring Nederland, op als gastheer voor
boeddhistische leken en monniken uit Japan.
Omstreeks
diezelfde tijd publiceerde de Zen Kring een beroemde reeks van tien
afbeeldingen die door de eeuwen heen gebruikt is om het proces van spirituele
ontwaking of innerlijke verlichting te verduidelijken: ‘De prenten van de os’,
van zenmeester Kakuan Shien,
met houtsneden van Tomikichiro Tokuriki.
In 1981 ging
Erik Bruijn op uitnodiging van Kogetsu Tani Roshi en Il-Bung
Soen Sa Nim, zenmeesters
van respectievelijk de Japanse Rinzai- en de
Koreaanse Chogye-traditie, naar Japan en Zuid-Korea
om zijn zentraining te intensiveren. Eerst volgde hij
in Japan een korte maar intensieve trainingsperiode in de Shogenji,
een opleidingsklooster voor zenmonniken met een
strenge oefendiscipline. Daarna ging hij naar Zuid-Korea om zijn nieuwe leraar
te ontmoeten, de bejaarde zenmeester Il-Bung, die hem
een jaar tevoren tijdens een bezoek aan Nederland als leerling had aangenomen.
Meester Il-Bung had hem uitgenodigd voor een honderddaagse meditatieretraite in een van zijn kloosters,
maar liet zijn nieuwe leerling onmiddellijk na aankomst in zijn tempel op een
onthutsende wijze aan zijn lot over, waardoor al zijn verwachtingen de bodem
werden ingeslagen. Deze radicale aanpak, die haaks stond op de zware
oefendiscipline in Japan en overwachts de druk van de
ketel haalde, werkte als een belangrijke katalysator op het verdere verloop van
zijn zentraining, die vooral gericht was op het
verder ontwikkelen van wat ooit door de ultieme ervaring van kensho werd ‘blootgelegd’.
“De voorbumper
van de wagen schampt een stenen brugleuning en we komen vast te zitten. De
chauffeur vloekt. Voor het vallen van de avond moet hij me kwijt zien te raken,
anders kan hij niet zonder gezichtsverlies terugkeren naar de tempel van zijn
leermeester. Het is duidelijk dat hij begint te wanhopen.
‘Vandaag,
mijnheer Chongdam’, zegt hij, ‘is het weer eens zo’n
dag waarop de dingen helemaal anders gaan dan meester Il-Bung
ons heeft voorgespiegeld.’
Ik
hoor mezelf iets te snel ‘ja’ zeggen. Hij noemt me bij mijn Koreaanse naam, de
naam die ik van meester Il-Bung heb ontvangen toen
hij me als leerling aannam. Chongdam betekent ‘Helder
Meer’ en past naar mijn gevoel eerder bij iemand die indiaantje wil spelen dan
bij een rusteloze zenstudent die de droombeelden over
zichzelf en de wereld wil doorzien.
Ten
slotte komen we terecht bij een tempelcomplex dat tegen een beboste heuvel is
gebouwd. Het blijkt de Bong-son Tempel te zijn, waar
men zich sinds de vijftiende eeuw voornamelijk toelegt op de studie van de soetra’s, teksten die gebaseerd zijn op woorden die aan de
Boeddha zelf worden toegeschreven.
De abt,
meester Woul-Un Sunim, is
een van de grote schriftgeleerden van het land. We
horen dat hij enkele dagen op reis is. Mijn gids praat daarom met de
hoofdmonnik, die vervolgens een groepje broeders raadpleegt dat nieuwsgierig om
hen heen is komen staan. In hun grijze pijen en met op mocassins lijkende
schoenen aan hun blote voeten, staan de kaalgeschoren monniken als een groepje
samenzweerders bijeen. Tussen alle vreemde woorden door hoor ik een paar keer
mijn Koreaanse naam noemen, waarna allen in schaterlachen uitbarsten en me
vrolijk aankijken. Aan het blijde gezicht van de chauffeur zie ik dat hij van
zijn lastige vrachtje is verlost. Ik mag blijven, maar ergens voel ik
nattigheid.
Een
van de monniken stapt op me af en sommeert me mee te gaan. Zijn gebroken Engels
klinkt bepaald onvriendelijk. We passeren de hoofdtempel en een stenen pagode
en houden stil voor een klein gebouw. Hij trekt een deur open en snauwt: ‘Hier
moet je de hele week blijven mediteren. Alleen. Je mag het vertrek alleen
verlaten om je te wassen en als je dringend naar de latrine moet. Ik zal je
straks een zitkussen laten brengen.’
Hij
kijkt me spottend aan. Ik doe mijn schoenen uit en stap het lege vertrek
binnen. De wanden bestaan uit lattenwerk dat beplakt is met rijstpapier. Er zijn
geen ramen, maar op een paar plaatsen valt door het papier gefilterd licht naar
binnen. Het enige dat er staat is een wit kamerscherm, waarop met zwarte inkt
in Koreaanse lettertekens een tekst is gekalligrafeerd. De deur wordt achter me
gesloten en ik laat me neerzakken op de grond. Nu moet ik snel beslissen, want
mijn chauffeur is nog niet vertrokken. Ik kán nog met hem meegaan.
Ik
had me voorbereid op een honderddaagse zentraining onder leiding van een ervaren leermeester en
was speciaal daarvoor naar Zuid-Korea gekomen, maar in plaats daarvan word ik
doodleuk weggeparkeerd om me in mijn eentje bezig te
houden met iets dat ik net zo goed thuis had kunnen doen.
Wat
moeten die monniken een pret hebben. Weer zo’n westerling die helemaal naar hun
land is gekomen omdat hij zo nodig moet mediteren. En ergens in mijn
achterhoofd hoor ik iemand via een krakende telefoonverbinding zeggen dat hij
het allemaal ‘all right’ heeft geregeld.”
(naar een
boekfragment uit ‘Ontmoetingen met meesters en dwazen’).
|
|
|
Erik Bruijn |
In 1989 keerde de Zen Kring terug naar Amersfoort, waar sindsdien naast
meditatiebijeenkomsten ook lezingen worden georganiseerd en workshops rond
thema’s als leven en dood in zen, zen en zelfmanagement, zen en
psychotherapie.
In 1996 verscheen van Erik Bruijn ‘Ontmoetingen met meesters en dwazen’,
een bundel kritische reportages over oosterse spiritualiteit, met bijdragen
over de trainingsperiode bij zijn Japanse Soto-leraar
en over zijn ervaringen in zenkloosters in het Verre
Oosten.
Bruijn, die behalve als schrijver ook werkzaam is als psychodynamisch
therapeut, schreef in 2006 het boekje ‘Ziekte, pijn en de invloed van de
geest’, waarin onder andere nader wordt ingegaan op de relatie tussen
meditatie en pijnbeleving. Aan de hand van praktijkvoorbeelden bevestigt hij
daarin de boeddhistische opvatting, dat de invloed van de menselijke geest niet
alleen een uiterst belangrijke factor kan zijn bij het ontstaan van ziekte en
pijn, maar ook bij het genezen ervan.
In zijn onderricht volgt hij de vrije Soto-stijl
van zijn eerste zenleraar, wat betekent dat er zo nu
en dan radicaal wordt afgeweken van het vaste programma. Ook heeft hij
elementen opgenomen uit meditatietradities waarmee hij vertrouwd is geraakt
tijdens zijn verblijf in Japan, Zuid-Korea, Taiwan en het Tibetaanse
cultuurgebied. Het zitten is bijvoorbeeld niet met het gezicht gericht naar de
muur, zoals in de Soto-traditie gebruikelijk is, maar
op dezelfde wijze als in de Rinzai-kloosters wordt
beoefend, en langzame kinhin kan worden afgewisseld
met snelle loopmeditatie, zoals ook door sommige Chinese meesters wordt
onderwezen.
Soetra-recitatie wordt incidenteel geoefend,
maar maakt geen deel uit van het vaste programma. In de Zen Kring is geen
plaats voor een lerarencultus; de leraar is er slechts de eerste onder
zijn gelijken. De deelnemers dragen geen voorgeschreven kleding of oosterse
namen, hoeven geen geloften af te leggen en houden zich niet bezig met rituelen
die thuishoren in Japan. Wat onderwezen wordt is een westerse manier om zen in
het dagelijks leven tot uitdrukking te brengen. Daarbij speelt de ontwikkeling
van inzicht en mededogen een belangrijke rol en staan de beoefening van objectloze meditatie en het leven en werken vanuit een open
geest centraal. Naar deze ‘open geest’ wordt in de zentraining
ook wel verwezen met de term shoshin, dat
door de Japanse zenmeester Shunryu Suzuki in het
Westen werd geïntroduceerd als ‘beginner’s
mind’.
Het wekelijkse programma van de Zen Kring bestaat uit zitmeditatie (zazen), loopmeditatie (kinhin),
theedrinken in stilte, houdingscorrectie, groepsinstructie en persoonlijke
instructie. Daarnaast worden één- of meerdaagse meditatieretraites (onder
andere sesshins) georganiseerd en werkweekends die
gericht zijn op het krijgen van inzicht, het oplossen van innerlijke en fysieke
blokkades en het ontwikkelen van de eigen mogelijkheden.
Vrijwilligers uit de Zen Kring zetten zich in voor sociaal minder bedeelden
en hebben in 2006 Stichting Steppekinderen opgericht, een hulporganisatie voor
kansarme kinderen in Mongolië (zie: www.steppekinderen.nl).
De voortrekkersrol die de Zen Kring een aantal jaren heeft vervuld bij de
introductie van het zenboeddhisme in Nederland, werd na 1973 geleidelijk aan
overgenomen door andere organisaties.
Literatuur:
L. Boer, Inzicht en uitzicht. Twee opstellen over Zen. Stichting
Nederlands Buddhistisch Centrum, 1975.
E. Bruijn, De weg van zazen. Inleiding
tot zenmeditatie, Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1975.
E. Bruijn, Tantra, yoga en meditatie, De Tibetaanse weg naar
verlichting, Uitgeverij Ankh-Hermes,
Deventer, 1996(3).
E. Bruijn, Ontmoetingen met meesters en dwazen. Achter de schermen
van de oosterse spiritualiteit. Uitgeverij Ankh-Hermes,
Deventer, 1996.
E. Bruijn, Leven en dood in zen, Prana
135 – tijdschrift voor spiritualiteit en randgebieden der wetenschappen, p.
14-26, 28e jaargang nr. 3, februari/maart 2003.
E. Bruijn, Zen en de speciale overdracht van inzicht, Prana 149 – tijdschrift voor spiritualiteit en randgebieden
der wetenschappen, p. 8-17, 30e jaargang nr. 5, juni/juli 2005.
E. Bruijn, Ziekte, pijn en de invloed van de geest, Uitgeverij
Ankh-Hermes, Deventer, 2006.
E. Bruijn, Tibet, China & Japan, Catalogus
van meesterwerken uit de etnografische kunstcollectie van het Wereldmuseum,
Deel II, Brussel en Rotterdam, 2011.
E. Bruijn, Spirit Embodied:
Japanese Esoteric Buddhist Art at the Wereldmuseum Rotterdam, Orientations Magazine, p.58-65, Hong Kong, January/February 2012.
I. De Bruyne, De introductie van Zen in
Nederland en Vlaanderen in de 20e eeuw, licentiaatthesis,
Leuven, 1986.
Kakuan Shien, De
prenten van de os, Zen Kring, Amsterdam, z.j.
V. F. Laterveer, Het verschijnsel ‘Haiku’
in het Nederlands taalgebied, Bloemendaal, 1982.
S. Suzuki, Zen Mind, Beginner’s Mind.
Informal talks on Zen meditation and practice. Weatherhill, New York, 1970.
J. van de Wetering, De lege spiegel. Ervaringen in een Japans Zenklooster, De Driehoek, Amsterdam, 1971.
J. van de Wetering, Het dagende niets. Beschrijving van een eerste
bewustwording in Zen, De Driehoek, Amsterdam, 1974.
J. van de Wetering, Zuivere leegte. Ervaringen van een respectloze zenleerling, Asoka,
Rotterdam, 2000.
© 2007-2012: Zen Kring, Amersfoort